10-06-09

Regels

 

Je komt als jongeman soms nogal wat tegen met de meiden! Daar kan ik persoonlijk ook enkele pittige anekdotes over vertellen. Zoals die keer toen ik als prille twintiger eens een vriendinnetje meenam om te gaan shoppen in Maastricht. We waren daar al gearriveerd toen ze pas ontdekte dat ze haar handtas thuis op het tafeltje in de inkomhal van haar studio had laten liggen. Ik zei: "Da's niks, ik heb geld bij, een haarborstel en ook een extra zakdoek & zo" en voegde er, om te zwanzen, aan toe: "Gelukkig is het niet je onderbroek die je thuis bent vergeten!" Het meisje kleurde terstond bloedrood.

Een andere keer was ik samen met een jongedame. Ik weet niet meer juist onder welke omstandigheden, en ik herinner me ook de reden niet meer, maar ze zei in elk geval, op een bepaald moment: "Ik heb zo mijn regels!" Waarop ik antwoordde: "Ga dan maar vlug naar het toilet om een inlegkruisje in je slip te stoppen!" Dat meisje is effectief weggehold. Niet naar het toilet, maar gewoon weg van mij!

Een andere griet heeft mij dat trouwens eens, in halfdronken toestand, wankel op haar benen staand, bekend: "Schone jongen" zei je, zoals gemeld was ze zat, dus had ze vast een troebel zicht, "Ik ben weg van jou!" Onmiddellijk respondeerde ik met: "Neen, dat is niet waar, want je bent hier nog. Maar ik zou wel graag hebben dat je weg bent van mij, want je stinkt uit je bek. En bovendien hou ik niet van zatte wijven!"

"Tenzij ze jong en sexy zijn", had ik er nog aan kunnen toevoegen. Maar dat deed ik niet, want dat vrouwmens zou dat toch niet meer hebben gehoord, want ze was al weg gewaggeld en ik heb haar daarna gelukkig nooit meer teruggezien!

Het was in die tijd, de jaren tachtig, en waarschijnlijk nog steeds, trouwens niet altijd eenvoudig om een griet aan de haak te slaan. Figuurlijk dus, welteverstaan! Alhoewel ik er, als zeventienjarige, toch eens een keer in ben geslaagd om dat, ongepland, bijna letterlijk voor elkaar te krijgen.

Op de fuiven, waar ik, als rijpe tiener, in de weekends met mijn, uit jongens en meisjes bestaande vriendengroepje, heen hing, was al meer dan eens mijn oog gevallen op een knap jong meisje. Eentje met een weelderige bos krullend donkerbruin haar. Bij de toen nog populaire kusjesdans probeerde ik al eens om haar in mijn armen, en aan mijn lippen, te krijgen. Maar helaas slaagde ik daar niet in. En mijn kansen waren uiterst beperkt omdat die schoonheid meestal niet meedeed aan dat kusgedoe.

Ook voor een slow, die altijd volgde op die kusjesdans, kon ik, ondanks herhaalde beleefde uitnodigingen daartoe, de bevallige deerne niet strikken. En dan, op een keer, toen ik me na zo een massadans, door de menigte bewoog, op zoek naar een danspartner, werd ik door de vriendin van dat meisje op de schouder getikt.

Terwijl ik verder stapte, deed het meisje me teken om achterom te kijken. Dus hield ik halt, draaide me om en keek recht in de ogen van die zo door mij begeerde brunette. Menslief, wat was ze toch knap. En nu liep zij dus achter mij aan?

Fout gedacht! Op mijn blauwe jeansvestje waren twee kleine buttons gespeld. En bij het haar ongemerkt passeren, allicht omdat ik op dat moment een ander schoon grietje in het vizier had, was ze met een deel van haar enorme haardos aan me vast komen te zitten. Vandaar die achtervolging door de rumoerige en lawaaierige danshal.

Weken- of misschien zelfs maanden later, heb ik toch nog eens een poging ondernomen om dat, in mijn ogen goddelijk, schepsel, aan de haak te slaan. Figuurlijk dan, deze keer! Ze zat, samen met een aantal jongens, aan een tafeltje, naast de tafels die mijn maten en ik hadden ingepalmd.

Naarmate de avond vorderde merkte ik dat het meisje nogal dikwijls alleen op haar stoel, aan dat tafeltje achterbleef. En als die kerels, van het type 'zware jongen', er toch waren, kroop geen enkele van hen dicht tegen haar aan of stelde zich amoureus tegenover haar op. Daaruit concludeerde ik dat het meisje geen vriendje had. En leek deze avond voor mij het uitgelezen moment om mijn kans te wagen om dit mooie meisje nader te leren kennen.

En ik had al een plannetje beraamd om dit prachtig schepsel der natuur te bekoren. Naderhand beschouwd een nogal ridicuul idee. Van elk beschikbaar drankje dat op die fuif was te verkrijgen, wou ik er namelijk één bestellen. En het ganse aanbod zou ik voor haar bevallige neusje plaatsen, zodat ze maar te nemen had wat ze drinken wou.

Slechts één, niet onbelangrijk, probleem doemde op. Om al die drankjes te kunnen bekostigen, had ik geld nodig. En ik had die avond al een groot deel van mijn budget gebruikt om benzine te kopen voor mijn bromfiets. En het saldo had ik aangewend als mijn aandeel in de drankpot, die inmiddels was uitgeput. Er zat dus niks anders op dan bij wat maten aan te kloppen voor een beetje geld. Die maakten daar geen probleem van. Temeer daar ik hen deel maakte van mijn plan.

Nu de voorbereidingen waren getroffen, rijgde ik de veters van mijn 'stoute' combat schoenen nog wat sterker aan, trok mijn nauwsluitende jeansbroek recht, liet mijn vingers even door mijn haren glijden, om mijn kapsel ietwat te fatsoeneren en ging vervolgens recht op de jonge vrouw af.

Ze keek op toe ik me, het lichaam voorovergebogen, voorstelde aan haar. Ze glimlachte vriendelijk en deelde me ook haar naam mee. Op mijn vraag of ik even bij haar mocht komen zitten, antwoordde het lieflijk ogend creatuurtje positief! Ze bleek met haar broers en hun maten naar deze fuif te zijn gekomen. Omdat ze wel zin had om uit te gaan, maar haar vriendin ziek was en haar ouders niet wilden dat ze alleen op stap ging. Toen ik haar zei dat ik haar een drankje zou bezorgen, reageerde het meisje onmiddellijk met de woorden: "Neen, niet nodig hoor. Ik heb deze avond reeds genoeg gedronken en heb nu echt geen zin meer in om het even welk drankje!"

De schoonheid vervolgde: "Ik zeg dat steeds liever onmiddellijk, zodat niemand haar of zijn geld besteed aan een drankje dat ik dan toch niet uitdrink." Net op dat moment kwam de ober eraan met een schaal waarop minstens 10 verschillende soorten drankjes stonden. Oei! Hoe moest ik dat hier oplossen? Zonder gezichtsverlies te lijden. Ik zei die jongen dat hij alle drankjes bij elkaar op tafel mocht zetten en dat ik dan wel voor de verdeling zou zorgen. Nadat ik de drankbezorger met het geleende geld had betaald, riep ik enkele maten bij me.

Die keken me vragend aan, want ze hadden zich gedeinsd gehouden omdat ze dachten dat ik toch liever alleen bleef zitten bij het meisje mijner dromen. En waren nog meer verbaasd, toen ik hen uitnodigde om een drankje te nemen. Erg succesvol was mijn broederlijk delen overigens niet, want mijn maten waren niet geïnteresseerd in het drinken, of zelfs maar proeven van de meeste van die daar op tafel gepresenteerde brouwsels.

Wat er daarna is gebeurd en hoe die avond is afgelopen, daar heb ik het raden naar, want ik kan het me met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Eén ding is zeker: dat meisje is noch die zaterdagavond, noch op een later moment, ooit de mijne geworden. In tegengesteld geval had ik die gedenkwaardige informatie zonder twijfel voor eeuwig en altijd ergens in een veilig hoekje van mijn grijze hersenmassa bewaard. Dus waarschijnlijk is onze beginnende communicatie vrij snel op een sisser uitgelopen. Mogelijk koos ik een fout moment uit om met het meisje in contact te treden. Had ze misschien haar regels?!

Ru(sh)di(e), 4 april 2009.

17-05-09

Herinneringen uit mijn verleden - bevoorrading en zo

 

Mijn ouderlijk huis is gelegen in een gehucht van wat vroeger een klein dorp was. Wij woonden werkelijk in een boerengat. Veel van onze buren waren boeren met, zoals dat nu heet, een gemengd bedrijf, waarin dus zowel aan landbouw als aan veeteelt werd gedaan. Op heel kleine schaal weliswaar. Absoluut niet te vergelijken met de huidige omvangrijke boerenbedrijven.

De meeste andere buren waren arbeiders en hier en daar al eens iemand met een zelfstandige activiteit. Een metser of een schrijnwerker. En het merendeel van hen woonde, net zoals wij, op een voormalig boerenerf. In de stallen stonden dat wel geen koeien of varkens meer, maar dikwijls hield men nog wel wat kleinvee. Bij ons waren dat kippen en konijnen.

Onze inkopen deden we grotendeels in de buurtwinkels. En met 'we' doel ik op mijn ma, mijn zussen en mezelf. Want shoppen is mijn pa pas beginnen doen vanaf het moment dat wij een auto hadden, begin de jaren zeventig, tevens het moment dat er aan de rand van alle grote steden supermarkten opdoken. Waar alles op één adres te krijgen was, en bovendien veel goedkoper!

Maar de jaren voorheen werd alles wat wij nodig hadden, in onze eigen buurt gekocht. Zo kwam ons brood van bij de bakker uit onze straat. Wiens helper zelfs een keer of drie per week op ronde ging om ons aan huis van vers brood te voorzien. Die man sprak enkel over het weer. Goed weer, slecht weer, geen weer... iets anders kwam daar niet uit dienen mens zijn spraakorgaan.

Toen, op café, iemand hem vroeg naar het waarom ervan, antwoordde de man simpelweg dat hij, door over niks anders dan het weer te spreken, hij ook niks verkeerds kon zeggen. Hij zag veel, hoorde ontzettend veel, was van veel gebeurtenissen, vaak ongewild getuige. Maar roddelen was niet aan de man besteed. Zo vermeed hij extra twisten en hield de kerel iedereen te vriend.

Ons vlees en onze charcuterie gingen we halen bij de beenhouwer aan 't kapelletje, het centrum van onze buurt. Als ik meeging met mij ma, dan kregen wij vaak de onverkoopbare restjes van de salami's mee naar huis. Ik was daar verlekkerd op! Toen ik al wat ouder was, zond mijn ma me al eens alleen naar die winkel. Dat deed ik graag. Alleen boodschappen doen, zoals een grote mens! Fantastisch vond ik dat!

Mijn ma gaf me dan altijd een briefje mee, waarop stond geschreven wat ik behoorde mee te brengen. Tijdens de fietsrit naar de beenhouwerij leerde ik dat dan van buiten. Want als een klein ventje de gewenste boodschappen van een briefje aflezen, dat vond ik maar niks. Daar voelde ik mij veel te groot voor!

Op een zekere dag stond ik in die winkel, te wachten tot het mijn beurt was. Het was er nogal druk. Er stond al wat volk in de zaak op het moment dat ik arriveerde, en na mij waren er nog enkele personen binnen gekomen. Allemaal mensen uit de buurt. Want ander volk kwam daar niet. Toen het eindelijk mijn beurt was, wist ik niet meer wat er ook alweer op dat briefje stond geschreven. Verdikke!

Dus bestelde ik maar vast iets dat mijn ma meestal meebracht. Terwijl de beenhouwersvrouw bezig was met het snijden en wegen van dat ordertje, trachtte ik zo onopvallend mogelijk dat papiertje te bekijken dat mijn ma me had meegegeven. Het eerste lijntje kon ik duidelijk lezen en bestelde ik. Maar terwijl ik op de winkelierster haar vraag of het iets meer mocht zijn dan het gevraagde gewicht, positief antwoordde, brak ik tezelfdertijd mijn hoofd over wat er in Gods naam verder te lezen stond.

Het briefje aan de verkoopster te lezen geven, zoals mijn ma me steeds opdroeg te doen bij twijfel, daar dacht ik nog niet eens aan. Mij daar, met al dat volk in de winkel, belachelijk maken, was wel het laatste dat ik zinnes was. De roddeltantes die in dit oord overal pertinent aanwezig waren, zouden ongetwijfeld hun 'werk' doen en de eerstvolgende schooldag zou ik dan vast worden uitgelachen als het ventje dat bij het boodschappen doen mama's lijstje aan de verkoopster moest overhandigen, omdat ik zogezegd onbekwaam, achterlijk of dom zou zijn. Dat kende ik. Pesten was in die tijd in die bekrompen gemeenschap dagelijkse kost.

Om dat onheil te vermijden bestelde ik dus maar, op goed komen uit, zoals wij dat toen uitdrukten, wat fijne vleeswaren en ook een halve kilo gehakt. Dat laatste weet ik nog heel goed. Nochtans was ik absoluut niet zeker of dat item of iets wat daar van benaming op leek, ook op mijn ma's lijstje voorkwam. Maar ik had wel zin in gehaktballen, en dit, wat wij noemden 'gekapt' was daarvoor een onmisbaar bestanddeel.

Eens afgerekend reed ik rechtstreeks naar huis, want al dat vlees moest zo snel mogelijk de koelkast in. Want veel ervan kon snel bederven. Of sloeg een lelijke kleur uit, en dan was het op zijn minst niet lekker meer. En vaak zelfs helemaal oneetbaar. Zo wist ik van mijn ma. In die tijd luisterden kinderen immers nog naar hetgeen hun ouders hen, vaak tot vervelens toe, vertelden of uitlegden.

Mijn lieve ma was hoogst verbaast toen ze de boodschappen uit de tas haalde. Ze keek mij aan en begreep maar niet hoe die beenhouwersvrouw zich zo vergist kon hebben, te meer daar zulks nooit eerder was voorgevallen. Zelf vergoelijkte ik de beenhouwersvrouw door mijn ma te vertellen dat er toch wel een grote drukte heerste in de zaak en de dame allicht daardoor één en ander verkeerd van het briefje had afgelezen.

In mijn kindertijd moesten wij trouwens niet ver lopen om aan drank, voeding of om het even wat te geraken dat we thuis, in de huishouding, nodig konden hebben. Schuin over onze deur was er een klein winkeltje. Naast en in hetzelfde gebouw gevestigd als een café, waarvan de uitbaatster daarvan, ook de winkelierster was. Zulke gecombineerde uitbatingen, kwamen in die tijd veel voor in Vlaanderen. In onze, nochtans dunbevolkte buurt waren er zo zelf twee!

En voor zowat alles kon je daar terecht. Snoep, drank, koekjes, beschuiten, sigaretten, kaarsen, batterijen... Als ik mij goed herinner een aanbod dat een beetje vergelijkbaar is met hetgeen heden ten dage sommige nachtwinkels aanbieden. Maar in winkeloppervlakte waren ze doorgaans kleiner, en vaak nog meer volgepropt met allerlei spullen. Van bijna op de vloer tot haast aan het plafond.

In het winkeltje waar wij steeds aankopen deden kon je bonnetjes sparen, waarmee je dan uiteindelijk een geschenk bekwam. Zo zijn mijn ouders ooit aan een, toentertijd in elke huiskamer te vinden, op elektriciteit draaiende windmolen geraakt. Een lichtbruine, met lichtjes! En er speelde een muziekje terwijl de wieken draaiden! Het plastieken ding, signatuur 'made in Hongkong', waarvan ik toen de betekenis nog niet snapte, niemand uit ons dorp trouwens, was het pronkstuk onder de ornamenten die onze buffetkast sierden. Voor een tijdje althans. Want zulke prullen vervelen alras, zodat het object al vlug een plaatsje kreeg op een antieke, van een overleden familielid geërfde wastafel die in de traphal, annex voorraadkamer, annex mijn slaapplaats stond opgesteld. Inderdaad, in dat zowat anderhalve eeuw oude huisje waarin we woonden, was multifunctionaliteit een noodzaak. Lang voordat het woord werd uitgevonden!

Eens per week, meer bepaald op donderdag, kwam de visboer langs. Als je iets van hem wou kopen, dan moest je een emmertje aan je hekstijl hangen. Dan stopte de man sowieso. Je kon ook aan het hek staan wachten tot wanneer die venter met zijn viskraam opdaagde. En je hoorde hem van ver komen, want hij kraamde een in al die jaren nimmer wijzigende slogan uit. Zeker van de inhoud van zijn slagzin ben ik nooit geweest, maar het ging ongeveer als volgt: "Rauwe haring, bakharing,tarbot & kabeljauw! Steur, schar, zalm & schol! Hele grote mosselen! Goeie verse mosselen!" En geen bandje hé! Maar helemaal live!

En als hij je onderweg tegenkwam, riep hij je aan door zijn megafoon. Mij noemde de man steevast 'wittekop'. Niet toevallig omdat ik in die tijd qua haarkleur inderdaad nogal veel weg had van de witte van Zichem.

Die vismarchand heeft trouwens ooit eens slechte mosselen aan ons geleverd. Die werden in huis gebracht middels dat emmertje dat tot aan 's mans verschijnen aan het tuinhek hing. Want overal zakjes bij geven was toen nog niet in trek. Ofwel konden milieuactivisten, vanuit hun, naar later bleek terechte vrees overspoeld te worden door die plastieken zakjes, toen de verspreiding nog even tegen houden.

Als je boodschappen deed laadde je alles meteen in je eigen, van huis meegebrachte kabas. Of, in dit geval bij de visverkoper, in je emmertje. Mosselen althans. Hoe die andere vis van dat kraam tot in huis werd gebracht, dat herinner ik mij niet. Bij die vraag krijg ik helaas geen informatie terug vanwege mijn grijze hersenmassa.

Van die slechte mosselen ben ik dus wel goed ziek geweest! Mijn ogen zwollen op in zulke ernstige mate dat ik nog nauwelijks iets kon zien. Het ziekenhuis moest ik er niet voor in. Wel binnen blijven en in de zetel blijven zitten of liggen. Want ik zou overal tegenaan zijn gebotst. Dit voorval heeft er toe geleid dat ik jarenlang niet meer van die schelpdieren heb gegeten.

Ook onze melkboer had een vaste wekelijkse ronde. Als je melk, yoghurt of een ander zuivelproduct uit die mens zijn aanbod wou, dan werd van je verwacht dat je de lege, herbruikbare flessen aan de straatkant voor je huis zette. Dan wist die persoon dat je iets nodig had en kwam die aankloppen aan de achterdeur. Veelal had hij toen al bij wat we doorgaans bestelden. Dat bespaarde hem extra over en weer stappen naar zijn zwaar beladen camionette.

Bij de brouwer werd hetzelfde systeem toegepast. Alhoewel we, wanneer we bijvoorbeeld  een bak bier wilden, we niet het ganse krat met lege flesjes aan de straat zetten. Want dan bestond immers het gevaar dat een onverlaat er mee aan de haal zou gaan. Omwille van het leeggoed. Er werd in die tijd veel meer met hervulbare flessen en statiegeld gewerkt. Onze limonade werd ook zo aangeleverd. In zware glazen literflessen. Waarmee je, zo gewenst, gerust een volwassen mens de kop kon inkloppen. Wat naar mijn weten trouwens nooit is gebeurd. Maar zeker is dat niet. Want toen was de media nog niet zo uitgebreid.

En bij ons thuis werd ook niet met die flessen op elkanders hoofd geklopt. Waar mijn ma ze wel voor gebruikte, was voor het verpulveren van beschuiten. Door er met zo een zware glazen frisdrankfles over te rollen maakte ze daar chapelure van. Naast gehakt en ei, een onontbeerlijk ingrediënt om gehaktballen te maken. Mijn pa had die graag in de uiensaus, maar dat vond ik vies en daarom bereidde mijn ma die van mij steeds apart.

Al de drank die de brouwer kwam slijten was afkomstig van de familiale Belgische brouwerij Roman. Die trouwens op heden nog steeds actief is, en voor zover mij bekend is, met de 12de generatie Roman aan het roer, of toepasselijker gezegd de 'vaten', vooral bezig is met het brouwen van speciale bieren.

In de zomer kwam dan ook wel een keer of twee per week, en in de schoolvakantie nog vaker, vermoed ik, de ijscrèmekar langs. Van het type dat de laatste tien jaar ook nu weer vaker opduikt in de straten. Een kleine bestelwagen die rondtoerde en middels een genre scheepsbel, van ver uit de buurt reeds zijn komst aankondigde.

Er toerde ook een ijsventer rond op een soort gemotoriseerde bakfiets. Een tripoteur werd dat bij ons genoemd. Niemand uit mijn directe omgeving sprak de Franse taal. Maar er werden geen twee zinnen uitgesproken of er zat wel een Frans woord tussen. Dit ter zijde. Die ijsjesventer zijn bak was uiteraard een diepvries. En boven de ganse lengte van zijn vehikel was een scherm aangebracht zodat zijn klanten, bij felle zonneschijn, in de schaduw konden staan. Neen, tegen de regen diende dat dak niet. Wegens niet sterk en waterdicht genoeg. Als het regende reed die kerel trouwens niet rond. Want wie loopt er nu buiten en heeft zin in een bolletje roomijs als de regensluizen open staan?

Ondanks zijn bijzonder en aantrekkelijk voertuig had deze ijsjesverkoper toch minder cliënteel dan de anderen. Het is allicht moeilijk om zo vele decennia later alsnog de reden voor 's mans geringere populariteit te achterhalen. Wat zou die kennis ons ten andere opbrengen, dat de moeite getroosten om dit toch te achterhalen, kan rechtvaardigen? Mocht je het antwoord weten, dan wens ik je proficiat voor je wijsheid en veel succes ermee!

Eens ook in de uithoek waar wij woonden, het bestaan van de diepvries bekend was geworden en de meeste inwoners zo een vriezer hadden in huis gehaald, daalde de populariteit en navenant de omzet van die ijsjesverkopers enorm. En ook hun frequentie van verschijnen nam gestaag af.

Anderzijds kende de huis-aan-huis diepvriesroomijs verkoop dan weer een steile opmars. Op vaste tijdstippen kwamen die mannen met hun vrachtwagen langs om te vragen of wij soms roomijs moesten hebben. Soms wel ja. Maar meestal zei mijn ma dat we die vent moesten zeggen voorlopig verder te kunnen. Wat meestal gelogen was, want ondanks het feit dat die aan huis bestelde ijscrème het lekkerst was, kochten mijn ouders die toch liever in de supermarkt. Want daar was die veel goedkoper. En sinds we een auto hadden, een witte vijfdeurs Simca 1100 zelfs, met een grote koffer, prefereerden mijn ouders het merendeel van hun inkopen in het grootwarenhuis te doen. Waardoor we telkenmale met een koffer vol spullen, geladen in gratis beschikbaar gestelde, voor eenmalig gebruik bestemde, bruine papieren zakken met aan de buitenkant in grote letters het logo van de winkel erop.

Maar de lokale groenten- en fruitboer, met winkel in de dorpskern, raakte wel zijn waar nog kwijt aan ons. Tenminste hetgeen mijn ouders niet zelf kweekten in hun uitgebreide moestuin. Die man kwam rond met zijn rijdende winkel, waar je langs een trapje achterin de wagen naar binnen stapte. Deze groentenmarchand mocht voornamelijk dames verwelkomen en bedienen. Die gingen steevast de groentekar binnen met in hun ene hand hun geldbeugel en hun eigen boodschappentas aan de gevouwen arm. De andere hand gebruikten ze om bij het binnentreden hun lichaam in evenwicht te houden.

Dergelijke deur-aan-deur winkeis droegen toentertijd enorm bij aan het onderhoud van de sociale contacten. Want wie buiten kwam tot aan het kraam, ontmoette niet enkel de verkoper, maar steevast ook enkele buren die ook één en ander nodig hadden. En zo werden nieuwsfeiten uitgewisseld en kon men palaveren over van alles en nog wat.

Allicht vergeet ik in dit schrijfsel nog enkele leveranciers. Want er kwam ook van tijd tot tijd een messenslijper bij ons langs EN er was geregeld een bloemist die zijn waar aanbood van deur tot deur. Onze krant werd heel vroeg in de achtend aan huis bezorgd door een gespecialiseerde bezorger, op een brommertje. Wij noemde dat een Mobylette, maar ik ben vrij zeker dat die man zijn bromfiets van een ander merk was. Toen mijn zussen de pubertijd instapten, leverde die man ons dan ook nog eens elke week een Joepie, een muziektijdschrift dat wonderwel ook de dag van vandaag nog bestaat.

Die gazettenman schakelde in de zomer trouwens schooljongens in om tijdens de gerenommeerde 'Ronde van Frankrijk', de dagelijks, ogenblikkelijk na de koers gedrukte speciale kranteneditie betreffende deze wielerwedstrijd, aan de man te brengen. Die jongens, met een koerspet waarop reclame van de krant, op het hoofd, reden per twee, ieder aan één straatkant met hun fiets doorheen het dorp en de invalswegen. En bliezen, om hun in aantocht zijn, te melden, op een fluitje en schreeuwden ook nog eens: "'Het Volk! Met de uitslag van de Ronde van Frankrijk!'"

De mannen en jongens werden zo hun woning uitgelokt. En alhoewel de meesten van ons de voorbije wedstrijdetappe live op Tv hadden gevolgd, waren we er toch tuk op om ons zo een krantje aan te schaffen. Om de hoogtepunten uit de wedstrijd te herzien op zwart/wit foto's, nabeschouwingen te lezen en interessante weetjes te achterhalen.

Het was mijn ambitie om, eens ik oud en groot genoeg zou zijn, ook  met zo een schoudertas over mijn hals gehangen, per fiets die krantjes te bedelen. In functie daarvan oefende ik al voor de job, in onze tuin. En reed op mijn koersfietsje, met een pet op het hoofd, de wegels door, zo nu en dan blazend op een fluitje dat met een touwtje rond mijn nek hing, regelmatig de slogan uitroepend en bruusk stoppend als mijn bereidwillig mee'spelende' ma of zus, teken deden dat ze een krant wilden kopen. Waarbij ik één van de eerder aangekochte kranten uit mijn schoudertas toverde, met de glimlach aan de koopster overhandigde en dankbaar het onzichtbare geld in ontvangst nam.

Voorbereid en geoefend was ik derhalve voldoende. Maar jammer genoeg is de traditie van die rondekrantjes reeds ter ziele gegaan vooraleer ik de leeftijd had bereikt waarop ik deze kranten had kunnen venten.

Uiteraard kwam ook in die tijd de postbode, ofte facteur reeds dagelijks langs. Dat waren nog echte, die tijd mochten maken voor de mensen. En voor zichzelf. Want ook die van ons ging dagelijks een druppel of een pintje drinken in het café van onze buren. En wellicht ook in de andere, voor een kleine buurt, groot in aantal zijnde kroegen.

En niet enkel leveren aan huis gebeurde. Ook de oud ijzerman deed vaak zijn ronde. Waarbij je vaak nog een mooie prijs kreeg betaald voor het koper of ander waardevol metaal dat je de man kon aanbieden. En elk jaar kwam er ook iemand langs die mijn ma betaalde om wat takken af te snijden van de Hulst in onze achtertuin. Er stonden verschillende van deze groenblijvende loofbomen in de haag die zorgde voor de omzoming van onze achtertuin met logting, zoals wij onze moestuin noemden. De Hulst heeft leerachtige getande en van stekels voorziene bladeren en rode bessen. Welke in die tijd vaak gebruikt werden in Kerststukjes. En aangezien die boomsoort blijkbaar niet in groten getale overal te vinden was, kwam die heer elk jaar bij ons terecht om zich van een voldoende voorraad te voorzien. Wat mijn ma, zonder dat ze er arbeid voor moest verrichten, een aardig extraatje opleverde.

07-05-09

Omgaan met zieken

 

Vaak hoor je dat mensen niet op bezoek durven gaan bij iemand die ernstig ziek is, recent een zwaar fysiek letsel opliep of pas een dierbare verloor. Omdat ze niet weten wat ze moeten zeggen! Ga dan, en zwijg! Of zeg die persoon gewoon dat je niet weet wat je moet zeggen. Maar ga er heen. Je komst op zich, zegt al genoeg. Je aanwezigheid is wat telt!

CrimiclownZelf weet ik meestal ook niet wat te zeggen in zulke situaties. En heb ik ook die, vaak terechte vrees dat wat ik zeg, verkeerd zal worden begrepen. Dan zwijg ik liever. En wacht ontspannen af, wat de ander zal zeggen. Als die al iets zegt. Gewoon een beetje bij elkaar vertoeven, desnoods zonder veel gepraat, moet ook kunnen! Trouwens, bij een tweede bezoek komt het meestal veel minder moeizaam tot een conversatie. Omdat je gesprekspartner dan doorgaans beseft dat je eerste visite niet zomaar een beleefdheidsbezoekje was. Of een visite uit nieuwsgierigheid.

Een dikke twee jaar geleden was ik ernstig ziek. Al mijn levensfuncties vielen het één na het ander uit en oorzaak noch remedie konden worden gevonden. Zelfstandig ademen lukte niet meer, een machine na het van me over, en enkel een infuus kon mijn lichaam van voedsel voorzien, want sondevoeding lukte niet. Mijn longfunctie faalde volledig en ik leek ten dode opgeschreven.

Vooraleer ik me, toen nog in een iets betere toestand, in het ziekenhuis liet opnemen, had ik aan mijn thuisverpleegkundigen,  mijn assistentes en mijn kinesist beloofd om hen van mijn conditie op de hoogte te houden. Dus ook toen ik, meer dood dan levend, op de dienst intensieve zorgen lag te zieltogen, trachtte ik nog steeds mijn belofte na te komen om wekelijks iets te laten weten. Mijn gewoonte er geen doekjes om te winden, zond ik hen een Sms'je met de melding dat 'mijn toestand uitzichtloos leek en dat ik ten einde raad was'.

Of ik dit bericht naar iedereen heb verzonden, dat kan ik me niet herinneren. En of ze allen antwoordden, evenmin. Maar dat laatste hoefde ook niet. En dat verwachtte ik ook niet. Maar hoopte ik mogelijks wel, want dagen- en nachtenlang met je volle verstand op een dienst intensieve zorgen vertoeven, in een schijnbaar hopeloze situatie, is allesbehalve een lachertje, zo kan ik je verzekeren.

Verpleegster - 000Dus lag ik, na het verzenden van dat berichtje, toch enigszins verwachtingsvol te staren naar mijn GSM. Hopend dat dit mobieltje spoedig een geluidje ten gehore zou brengen, ten teken dat er een bericht was ontvangen. Hoe lang dat wachten duurde, dat weet ik niet meer. Maar op een gegeven moment ontving ik een berichtje van één van mijn verpleegsters, dat me zeer trof omwille van zijn eenvoud en oprechtheid. De juiste woorden kan ik me helaas niet meer voor de geest halen, maar het was iets in de trant van: "Ik weet niet goed hoe ik hierop moet reageren" en dan allicht, "ondanks alles toch het beste gewenst" of iets dergelijks.

Geen aanmoediging voor iets waar ik zelf geen invloed op had. Geen hoopgevende woorden, die op dat moment hol en ijdel zouden hebben geklonken.

Met die negen woorden, heeft die verpleegster mij een mooi deel laten zien van zichzelf en haar persoonlijkheid! Die "Ik weet niet goed hoe ik hierop moet reageren" zijn de mooiste en meest gepaste woorden die iemand mij ooit in een dergelijke situatie heeft gezegd of geschreven. Want ik vond er steun in. Ik was niet meer alleen met mijn gevoelens van onmacht en niet meer wetend hoe te reageren op wat er met me gebeurde.

Uiteindelijk heeft mijn lichaam zich toch hersteld. Maar dat hadden jullie allicht reeds begrepen. Want anders was ik nooit in staat geweest dit epistel, letter voor letter in te typen, en hier aan jullie te presenteren. De details van mijn wonderbaarlijke genezing en al wat er aan voorafging en nadien plaatsvond, vertel ik jullie wel eens op een ander moment. Maar onthoudt de moraal van het huidige verhaal en pas het intuïtief toe in jullie dagelijks leven. Merci! Lachen

05-04-09

Rudi's overdenkingen - Apenland

 

decorationIn België trekken sommige regels werkelijk op geen kloten! Zo betaal ik bijvoorbeeld jaarlijks, omdat ik verplicht ben, trouw mijn bijdrage voor de zorgpremie. Weliswaar aan een gunsttarief, gezien mijn situatie. Maar hoewel ik aan alle voorwaarden om daar van te genieten, ruimschoots voldoe, wordt deze niet aan mij uitgekeerd!

Omdat ik een budget krijg uitbetaald om assistenten aan te werven en te betalen! Maar met dat geld kan ik niet hetzelfde doen als met het bedrag van de zorgpremie! Dat budget mag enkel en alleen worden aangewend om onder een arbeidscontract voor mij werkende personen te betalen, en tevens alle daaruit voortvloeiende kosten. En al die uitgaven moeten tot in de details met officiële documenten worden bewezen.

Gedurende het eerste jaar dat ik weer thuis woonde, na anderhalf jaar in het ziekenhuis te hebben vertoefd, maakten wij gebruik van de dienst thuiszorg van de mutualiteit waarbij we toen waren, en nu nog Monkey ANGRYsteeds zijn, aangesloten. Die mensen kwamen ons huisgezin enkele dagen per week bijstaan voor het verrichten van huishoudelijke taken en het helpen van de verpleegkundigen bij mijn verzorging.

Op een zekere namiddag werden we opgebeld door de verantwoordelijke van deze dienst. Ze had me een maand daarvoor ook al eens gebeld voor een afspraak om mijn dossier te herbekijken. Toen was die ontmoeting evenwel niet doorgegaan, want ze was ziek geworden, zoals iemand van haar dienst me telefonisch had gemeld. En nu wou ze ineens dringend langskomen. Dat vrouwmens werd warempel boos toen mijn echtgenote haar kordaat meldde dat we haar de huidige week niet meer konden ontvangen! Ja, als invalide wordt je verondersteld ten allen tijde, voor iedereen die dat wil, beschikbaar te zijn. Zieken en gehandicapten hebben toch geen plannen, noch bezigheden, zo veronderstelt men immers. Wenkbrouw ophalen

In het begin van de daarop volgende week kwam die vrouw dus op huisbezoek. Allicht van de maatschappelijk werker van de mutualiteit, behorende tot dezelfde zuil, maar dat wou ze niet bevestigen, had ze te horen gekregen dat me vanwege de overheid een integratietegemoetkoming was ten deel gevallen. Dus nu moest de ons aan te rekenen kostprijs voor de door hen aangeboden thuishulp worden herberekend. Als er (geld) te rapen valt, schiet men vlug in actie!

Monkey scratching headToen ik tijdens de voorbije zomer die vrouw contacteerde omdat ik, in de zorgsector, een door hen gehanteerde vakantieperiode van drie (3) maand, met zeer beperkte dienstverlening, toch wat al te gortig vond, reageerde ze zo snel niet. Wat zeg ik? Ze heeft daarop helemaal niet gereageerd! Omdat ze zelf ook zo een lange pauze nam misschien?

Om terug te komen op de reden van dat huisbezoek. Verrast merkte ik op dat, naar ik vernam, die premie me door de hogere overheid werd toegekend om deels de extra kosten die mijn handicap met zich meebrengt, te dekken. "En u wilt deze dus gebruiken om er uw organisatie mee te financieren?" zo stelde ik haar beleefd de vraag. Je had die moeten zien steigeren! Ze ging me dus het bewijs opsturen dat mensen zoals zij wel degelijk recht van inzage hebben in mijn overheidsdossier en haar wijze van handelen, volkomen reglementair was!

Enkele dagen later ontving ik met de brievenpost een kopietje van één of andere wettekst, uitvoeringsbesluit of zoiets, waaruit dus moest blijken dat het mens gelijk had. En het recht had de prijs per uur op te trekken tot een astronomisch bedrag. We hebben die thuishulpdienst terstond buiten gebonjourd, want voor die prijs konden we net zo goed iemand uit de privé betalen!

21-11-08

Mantelzorg door (jonge) kinderen

De hulp die een zorgbehoevende persoon krijgt van de mensen uit haarMantelzorg - 007 (klein) of zijn nabije omgeving, wordt mantelzorg genoemd. Een meer uitgebreide definitie van dit begrip vind je hier. Er wordt in de (gespecialiseerde) media heel wat geschreven over deze zorgverstrekking. Opvallend is evenwel dat in deze publicaties bijna uitsluitend voorbeelden van medioren en senioren aan bod komen. Bij hoge uitzondering wordt al eens gefocust op een mantelzorg dragende dertiger. Bij enquêtes omtrent mantelzorg, in statistieken, en als er cadeautjes worden gegeven, zoals op de 'dag van de mantelzorg' en voor het bekomen van een mantelzorgpremie, worden minderjarigen zelfs helemaal uitgesloten!

Onbegrijpelijk en totaal onterecht! In onze contreien verleent naar schatting één op de 10 kinderen tussen de 12 en 21 jaar dagdagelijks zorg aan een zieke Mantelzorg - cartoon - 001 (klein)mama, papa, zusje of broer. Of een andere bloedverwant, zoals oma of opa. Dikwijls zijn deze kinderen trouwens nog jonger. Het gaat om hulp aan een gezinslid met een lichamelijke of psychische ziekte, een verslaving of een handicap. De taken van de jonge verzorger kunnen huishoudelijk werk zijn, zoals boodschappen doen, schoonmaken en koken. Of  persoonlijke verzorging van een ziek of gehandicapt gezinslid: medicatie geven, helpen bij de toiletgang en het wassen, eten, aankleden.... Soms zorgen zij ook voor andere kinderen in het gezin. En vaak regelen deze kinderen ook zaken buitenshuis, zoals bijvoorbeeld naar de apotheek gaan. Tot slot bieden ze vaak ook emotionele steun aan hun omgeving: troosten, afleiden, over de problemen praten en zo meer.

Een gans takenpakket dus. En bijhorende verantwoordelijkheden. Des te meer redenen om verontwaardigd te zijn over en op zoek te gaan naar de vraag waarom die mantelzorgende jongeren telkenmale over het hoofd worden gezien. Het is alsof de mantelzorg door jeugdigen niet naar waarde wordt geschat. Nochtans is hun hulp en inzet minstens even waardevol als deze verricht door volwassenen. En uitermate prijzenswaardig!

Brian als standbeeld

Alweer kan ik spreken uit eigen ervaring. Met twee jongens, die nu 12 jaar zijn en reeds vanaf de leeftijd van nog geen 4 jaar, samenleven met een vader die zich voortbeweegt middels een elektrische rolstoel en zelfs voor zijn meest elementaire behoeften, afhankelijk is van derden. Dus ook dikwijls van hen! Dat zij van mij en anderen veel terugkrijgen op het vlak van appreciatie, aandacht en ook materieel (alhoewel niet meer dan andere leeftijdsgenoten, zo stel ik vast), doet niks af aan de waarde van hun mentale en fysieke inspanningen ten mijnen gunste. Er mag bijgevolg een standbeeld voor Austin en Brian worden opgericht!

In Nederland zijn er een aantal organisaties actief, die informatie, steun, hulp en een luisterend oor bieden aan jonge mantelzorgers. In Vlaanderen werden er naar Mantelzorg - 017 (klein)mijn weten op dit vlak nog geen initiatieven genomen. Nochtans is daar mijns inziens wel nood aan. Het is niet omdat je van op jonge leeftijd voor bijvoorbeeld (één van) je ouder(s), broer of zus moet zorgen, en je er zodoende aan gewend bent, dat je niet op een bepaald moment met vragen kan komen te zitten. Of dat de zorg je op een bepaald moment te zwaar wordt. En als je als jongere plotsklaps te maken krijgt met een zorgvragend gezinslid, doordat die bijvoorbeeld het slachtoffer werd van een zwaar ongeval of een ernstige ziekte, dan is het al helemaal niet verwonderlijk dat je als kind een heleboel vragen, problemen en/of twijfels hebt. Je komt immers in een rol terecht waar je helemaal niet om hebt gevraagd, en doorgaans totaal niet in thuis bent: deze van zorgdrager.

Advies met betrekking tot praktische zaken, door in deze materie gespecialiseerde consulenten, kan ongetwijfeld een hulp zijn. Ook communicatie met jongeren die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, kan uiterst welkom en zinvol zijn. Dit contact kan verlopen via het internet (forum, e-mail...) of op georganiseerde activiteiten.Mantelzorg - cartoon - 000 (klein)

Interessante lectuur met betrekking tot dit thema is het jeugdboek 'Mijn vader draagt antilopenlerenschoenen'. Schrijver Kees Opmeer sprak met elf  jonge mantelzorgers uit Drenthe (Nederland) en beschrijft in het boek op een directe en boeiende manier de belevenissen en emoties van deze jongeren. De verhalen zijn waar gebeurd en getuigen van humor, veerkracht en doorzettingsvermogen. Ook interessant en leuk zijn de websites speciaal voor kinderen en jongeren die zorgen voor een ziek of gehandicapt familielid, zoals: Mantelzorg? & maxjijook?

>>> Noot: klik op de cartoons voor een grotere afbeelding!

12-10-08

Nationale Ziekendag

Vandaag is het 'Nationale Ziekendag'. Welke persoon of organisatie dit ooit in het leven heeft geroepen, weet ik niet. En het doet er ook niet toe! Feit is dat ik elk jaar, omstreeks deze dag, van Ziekenzorg CM een presentje krijg. Aan huis gebracht door een lid van de lokale kern. Nochtans ben ik niet 'echt' ziek, maar wel 'echt' gehandicapt'! Wat een woord! Zo oubollig! Men moest me straffen, elke keer ik het nog aandurf dit woord te gebruiken'.

Ziekenzorg CM

Chronische pijn, spasmen, osteoporose, ademhalingsstoornissen en zo meer, zijn ook ziektesymptomen. En ik heb deze bij de vleet. Het is niet omdat ik daar doorgaans over zwijg, om anderen niet te belasten met dingen waar ze toch niks aan kunnen verhelpen, dat ze er niet zijn. En moest ik er niet zo veel last van hebben, ik zou verdorie vergeten dat ik ze heb! Zoals in de eerste alinea van dit bericht even gebeurde. Derhalve neem ik mijn woorden terug en  corrigeer: ik ben wel degelijk ziek!

Fysisch althans. Geestelijk ben ik uitermate gezond. Wat in mijn situatie helemaal niet evident is. Vele mensen gaan er mentaal onderdoor. Beladen met pijn, verdriet om ondermeer het verlies van lichaamsfuncties en van de gezondheid, financiële problemen door te hoge ziektekosten en een te laag inkomen en veelal de onmogelijkheid daar zelf iets aan te veranderen, Wat dan weer leidt tot frustraties wegens een totaal gebrek aan perspectieven. Daar komen dan dikwijls nog relatieproblemen bij, verveling bij en vereenzaming. Want het is inderdaad zo dat, wie ernstig ziek is, niet alleen zijn gezondheid verliest, maar vaak ook heel wat sociale contacten!

Eenzaam (klein)

Het is dan ook goed dat er organisaties zijn zoals Ziekenzorg CM en andere, minder gekende en minder omvangrijke verenigingen, die mensen groeperen die, hopelijk vanuit menslievendheid, als vrijwilliger het engagement aangaan om personen die zwaar ziek zijn of fysisch beperkt, buiten hun deur te krijgen, uit hun isolement te halen. Of, als dit om medische of praktische reden, absoluut niet kan, naar hen toe te gaan. Zeer lovenswaardig! Toch bereiken deze initiatieven doorgaans  voornamelijk enkel oudere mensen, wat jammer is.

Iedereen is er bij gebaat dat zij, die fysiek lijden, geestelijk de nodige verstrooiing krijgen. Dit kan door een goed gesprek omtrent een onderwerp 'dat de zieke persoon' aanbrengt, of dat haar of hem op zijn minst interesseert. En best ook eens een verplaatsing naar een andere omgeving, een ander milieu. Steeds maar kijken op dezelfde muren, datzelfde plafond, dat zelfde uitzicht op de buitenwereld door steeds datzelfde raam,... dit stramien moet zo vaak mogelijk worden doorbroken.

Inclusie

Regelmaat en routine zijn goed. Dat geeft zekerheid, maar wint pas echt aan belang, wanneer er nu en dan eens van wordt afgeweken. Als fervent voorstander van inclusie en diversiteit, en absoluut gekant tegen de hokjesmentaliteit, pleit ik ervoor personen die ziek zijn of een handicap hebben zo veel mogelijk geïntegreerd te laten in de 'gezonde' maatschappij. Niet alle zieken en personen met een beperking samen brengen, maar hen deel laten uitmaken van activiteiten waarbij de groep voornamelijk bestaat uit gezonde mensen. Stigmatiseren wordt daarmee vermeden, en opname in het gezelschap, zonder dat de gezonde, valide leden de aanwezigheid van de zieke of invalide persoon als storend ervaren, heeft meer kans op slagen.

Wie zich in het gebied tussen de twee oren, goed voelt, merkt ook de weerslag dat dit heeft op de lichamelijke conditie. Fysiek minder klachten, betekent minder doktersvisites, minder medicatie, en bijgevolg, puur economisch gezien minder kosten voor de ziekteverzekering, dus zelfs onze meest asociale, egocentrische medeburgers varen er wel bij!