17-12-08

Kraantjeswater

Met dat voorval, waarbij eerder deze week een deel van mijn Oost-Vlaamse medeburgers zonder stromend water kwamen te zitten, 'borrelden' een heleboel herinneringen bij me naar boven.

Ouderlijk huis

Mensen die in de laatste twee decennia zijn geboren kunnen zich dat allicht niet voorstellen, maar ik dateer nog uit een periode waarin stromend water uit de kraan nog niet in elk huishouden beschikbaar was. Tot aan mijn Plechtige Communie woonden mijn ouders, met hun vier kinderen, in een huisje van meer dan een eeuw oud.

Waarin ik trouwens altijd graag heb gewoond. Zo ook de mussen die onder de pannen huisden, en de muizen, die spijts alle klemmen en vergif, toch warme nestjes bouwden op de zolder van mijn ouderlijk huis.

Mijn ouders hadden een eigen kamer. Mijn zeven jaar jongere broer sliep in een door mijn oom gemaakt houten bedje, dat stond opgesteld aan het voeteinde van het ouderlijk bed. Mijn twee oudere zussen sliepen samen in een kamer die onze pa op een deel van de zolder, met wat platen, in elkaar had getimmerd. Zelf sliep ik de hoek van een ruimte die vanuit de wooukamer wat toegang verschafte tot mijn ouders hun kamer, dienst deed als voorraadruimte, en waarin teven een robuuste, bruin geverfde houten trap stond, die ons toegang verschafte tot de zolder. Privacy nihil, dus, maar dat deerde me als kind niet echt. En in die tijd was rekening houden met de nood van elkeen, aan een eigen plekje, niet zo evident. Als jongeman was ik tevreden met mijn afgeleefd witgeverfd ijzeren bed en de drie geërfde houten kastjes die in mijn slaapruimte stonden. Waarvan evenwel enkel het nachtkastje, en één lade van de grootste kast, voor mijn spullen mocht gebruikt worden. De rest was ingepalmd door bezittingen van mijn huisgenoten.

Handpomp

In onze kleine huiskamer was net plaats genoeg voor een kolenvuur, een dressoir, een glazen kast, een tafel met zes stoelen, een driezit zetel, een kastje met een zwart/wit Tv op, en daar tegenover, een Fluitketel (klein)aftandse zetel, mijn favoriete plek! De ruimte daarnaast was ons achterhuis, wat men nu keuken zou noemen. Ook daarin stond een tafel met zes stoelen er rond, een manshoge diepvrieskast, en een kookvuur op gas. De bidon stond er naast! Voorts een meubel met kastjes en schuiven, waarin alle keukenspullen een plaatsje hadden. En niet te vergeten onze pompsteen, met daarnaast de handpomp. Want als wij water nodig hadden, moesten wij het oppompen uit onze waterput. Koud water dus. Als er nood aan was om het te verwarmen, bijvoorbeeld om ons te wassen of om de afwas te doen, dan deden we dat door een moor met een fluitje, op het vuur te zetten. Als het water kookte, dan werd je daarvan verwittigd door het gefluit van die waterketel. Nu zijn die fluitkerels terug 'in' als leuk retro gadget. Bij ons was dat ding toen evenwel bittere noodzaak! Dat waren nog eens plezante, oergezellige tijden! En met ons zessen leefden wij zo tot eind de jaren zeventig.

Voor wie het zich mocht afvragen: een aansluiting op het elektriciteitsnet hadden we toen al. Maar om naar het toilet te gaan moesten we in de stal zijn. Tegen de muur van onze stalling hing een pisbak. En ernaast, achter een groene houten lattendeur, waarin op ooghoogte een klein verluchtingsgaatje was gezaagd, in hartvorm, bevond zich ons kleinste huisje. Een aalput met een omgekeerde kist erboven, waarin een rond gat was gemaakt. En dat na gebruik van het 'toilet', werd afgesloten door een deksel in eenzelfde vorm, met een handvat aan.