01-09-11

Start nieuw schooljaar

1steschooldag,1september,01-09-2011,eersteschooldag,eenseptember,eenseptembertweeduizendenelf,sexy,lerares,leerkracht,vrouw,vrouwelijk,wetenschappen,school,klas,bord,krijbord,klaslokaal,01-09,beroerte,achterlangs,poes,achterwerk,brunette,vader,kinderen,feestje,vrouw,sensueel,glimlach,schoonheid,wetenschappen,lerares,sexy_lerares,sexylerares,sexy_leerkracht,sexy_leerkracht,eerstejaars,oudercontact,dame,zomervakantie,klastitularis,vamp,dochter,schooljaar

Lode stond op een drukke zaterdagnamiddag, eind augustus, in de lokale supermarkt aan te schuiven aan de kassa. Met voor zich zijn overvol geladen winkelkarretje en achter hem een super knappe brunette. Lode merkte deze dame evenwel pas op toen hij, tijdens het op de transportband plaatsen van zijn aankopen, zijn hoofd even naar links draaide. Ze glimlachte hem toe. Sensueel, naar hij meende. Ondanks zijn leeftijd, 40+, en navenante levenservaring, kleurden Lode’s wangen, voor het eerst sinds vele jaren, bloedrood. Nerveus en badend in het zweet, ging Lode door met koopwaar uit zijn kar te halen en naderhand af te rekenen met de sympathieke kassierster.

Toen Lode zich na het betalen, een volgestouwd karretje voor zich uit duwend, richting uitgang begaf, keek hij nog eens tersluiks opzij. Naar de plek waar hij vandaan kwam. En zag dat die mooie brunette met haar rechterhand geld overhandigde aan de kassierster, terwijl ze, met nog steeds diezelfde blik en glimlach, de kant van Lode opkeek en hem met haar linkerhand vriendelijk toewuifde.

Terwijl Lode zijn aankopen in de gezinswagen laadde, vroeg hij zich af waar hij die zongebruinde schoonheid van aan de kassa, reeds eerder had gezien. En hoe het kwam dat ze hem zo opwond en totaal van slag bracht. Zijn overpeinzing werd verstoord door een liefelijk klinkende vrouwenstem die zei “Dag mijnheer.” Geschrokken richtte Lode zich op en stootte daarbij zijn hoofd tegen de achterklep van zijn auto. Hij greep met beide handen naar zijn kop, keek op en zag die brunette daar staan. In al haar welgevormdheid. Ze keek hem, het voorhoofd fronsend, bezorgd aan. Maar Lode zei, alweer blozend, dat het oké was, dat hij zich geen pijn had gedaan. Waarop de brunette gerustgesteld opnieuw die sensuele glimlach op haar gelaat liet verschijnen.

Aarzelend vroeg Lode: “Euh... goeiedag, juffrouwke. Kennen wij elkaar van ergens?” Waarop de schone gezwind en nog steeds glimlachend, met zeemzoete stem repliceerde: “Zeker weten, mijnheer! Jij bent toch wel de vader van één van mijn kinderen, niet?!

Lode schrok zich  bijna een beroerte. Het warme zweet van zijn opwinding werd kil en klam en ruimde plaats voor angstzweet. Lode kleurde van bloedrood naar lijkwit. Verward begon hij na te denken. In ijltempo doorgroef hij zijn geheugen. En stuitte bij een terugblik in zijn verleden op een bizarre gebeurtenis van een aantal jaren tevoren. Toen hij eens zwaar was uitgeweest en stomdronken voor de eerste en tot nader order enige keer zijn vrouw had bedrogen. Tijdens een uit de hand gelopen feestje, waar hij eigenlijk in eerste instantie tegen zijn zin, was heen getroond, door buitenlandse zakenrelaties. Die zin hadden in wat vertier, na een lange, zenuwslopende dag van onderhandelen en deals sluiten.

Lode gilde: “Oh nee!” En vroeg toen met een trillende stem aan de sexy brunette: “Ben jij die, toen in zwarte lakkledij gehulde vamp die ik op dat feestje van de Sultan, in het midden van de zaal achterlangs in de poes heb geneukt op de biljarttafel? Terwijl mijn collega’s ons stonden aan te moedigen en jouw, slechts een zwarte lakkorset dragende lesbische vriendin mij geselde met een natte selder en onderwijl een lange, dikke komkommer in mijn achterwerk duwde?"

De mooie, bruinharige dame keek Lode verontwaardigd aan en antwoordde met norse stem: “Helemaal niet, mijnheer! Wij hebben elkaar ontmoet net voor de zomervakantie, op school, tijdens een oudercontact voor de eerstejaars. Ik ben namelijk de klastitularis van uw dochter Sofie!”

20-09-09

Waarheen een toevallige ontmoeting mijn gedachten al niet leiden kan

 

Zon - 000 (klein)Met het prachtige nazomerweer waarop we de afgelopen dagen werden getrakteerd, liet ik geen enkel vrij moment of kans onbenut om buiten te vertoeven. Toen ik dondermiddag, onder een stralende zon, onderweg was, kwam er, voor ik een straat rechts wou inslaan, vanuit de andere richting een fietser aangereden, die me vriendelijk begroette, vooraleer net voor mij dezelfde straat in te rijden. Toen pas merkte ik dat het de oud-burgemeester van mijn woonplaats betrof. De man, die vast op weg was naar huis, kreeg van mij een hartelijke groet terug. "Leuk dat hij me nog herkent", dacht ik even. Want het was, naar ik mij herinnerde, toch reeds lange tijd geleden sinds we elkaar voor het laatst hadden gezien.

Maar onmiddellijk daarop realiseerde ik me dat die herkenning uiteraard vooral te wijten was aan die vier wielen onder mijn poep en de rest van dat prachtig toestel waarmee ik mij voortbeweeg. Het klinkt allicht ongeloofwaardig, maar toch is het zo dat ik vaak vergeet dat ik in een rolstoel zit.

Anderzijds gebeurt het soms dat ik voor het eerst met iemand afspreek en die persoon naar me toekomt, zeggend dat zij of hij me meteen herkende. Waarop ik dan reageer door te zeggen dat zulks niet moeilijk is. En terwijl die ander knikt en er een verlegen glimlach op diens gezicht verschijnt, zeg ik dan: "Door mijn lange haren, hé?!" Dan zie ik de gelaatsspieren van de persoon tegenover me in beweging komen en mijn gespreksgenoot denken, terwijl die ongemakkelijk op diens benen balanceert: "Zal ik het hem zeggen of niet?" Maar lang laat ik de vrouw of man in kwestie niet twijfelen, door snel zelf te zeggen: "En mijn rolstoel droeg allicht ook bij tot de herkenning?" Waarna we dan doorgaans beiden hartelijk lachen. En ook meteen het ijs is gebroken.

VosTja, een vos verliest zijn haren, maar niet zijn streken. Gelukkig dat eerste enkel figuurlijk, want ik zou niet graag vroegtijdig mijn weelderige haardos kwijt geraken. En deze integendeel zelfs het liefst behouden tot wanneer ik mijn laatste levensadem uitblaas. Een punt dat ik ooit al eens heel dicht benaderde, zoals hier valt te lezen.

Een vos ben ik overigens ook niet. Tijdens mijn jeugd was dit roofdiersoort ook niet te vinden in mijn geboortedorp. De enige vossen die daar toentertijd verbleven waren de gezinsleden van de in mijn toenmalige woonplaats residerende familie De Vos. Tegenwoordig is dat evenwel anders. In de velden en bossen achter mijn ouderlijk huis leven al sinds geruime tijd tal van vossen. En sinds enkele jaren ook herten. In 't wild, in de vrije natuur, hé! En die dieren planten zich daar vrolijk voort. Lachen

MammoetSabeltandtijgerWie weet komen er, door de opwarming van de aarde, daar, en elders, misschien ook wel opnieuw diersoorten tot leven, die reeds op aarde ronddwaalden voor de eerste ijstijd een aanvang nam. Maar die ongelukkigerwijs de laatste ijstijd niet overleefden. De mammoet bijvoorbeeld, of de sabeltandtijger.

Dat opwarmen van de aarde, daar hoef ik niet voor te vrezen. Mijn voeten verbranden aan die opwarmende aardkorst kan niet gebeuren, want mijn onwillige stappers staan op een voetplankje, op enige afstand van de grond, dus veilig. Alhoewel? Als mijn banden smelten... Maar laat me aan dat doemscenario niet denken.

Mijn geest laat me immers al vrezen voor die dus door de klimaatswijziging mogelijke heropstanding van gevaarlijke grote beesten Die blijven best nog even weg. Want ik heb schrik dat, als ik er, om wat voor reden dan ook, tijdens een boswandeling, zo één achter me aan krijg, ik mij nooit snel genoeg uit de voeten kan maken. Derhalve ben ik dus liefst, vooraleer dat die kolossen terug ten tonele verschijnen, de pijp uit. Lachen

15-08-09

Onopzettelijk voyeurisme

 

Enkele dagen geleden maakte ik 's avonds nog een ritje. Zomaar, nergens heen. Sinds ik terug de beschikking heb over een degelijke rolstoel, doe ik dat wel vaker. Het is een prima manier om mijn zinnen te verzetten en ideeën op te doen. Na doorgaans een ganse namiddag binnen bezig te zijn geweest, doet de buitenlucht me bovendien goed, en bezorgt deze me daarbovenop ook nog eens een betere nachtrust.

Omdat het nog zo lekker zonnig en warm was, reed ik deze keer niet zomaar eens rond de blok, maar zocht het iets verder. En doorkruiste de centrumstraten van mijn woonplaats. Op een zeker ogenblik werd mijn aandacht getrokken door drie tienermeisjes die uit de tegenovergestelde richting kwamen aangereden. De jongedames reden allen naast elkaar en kwebbelen er lustig op los.

Upskirt fietsterToen we elkaar passeerden, ving ik, ongewild, een glimp op van het slipje van het in het midden rijdende, kortgerokte meisje. Niks speciaals, zoiets gebeurt wel vaker en was, als zo vele andere, een onbelangrijke vaststelling. Maar dezer dagen blik ik nogal dikwijls vol nostalgie terug op de tijd dat ik bij bijna elke rit werd vergezeld door mijn twee zonen, Austin en Brian.

En toen ik dat stukje wit textiel tussen de benen van dat fietsende meisje ontwaarde, dacht ik dan ook glimlachend terug aan die keer dat ik de jongens had afgehaald van een sportkamp. En wij, langs de boorden van de Durme huiswaarts keerden. Op een gegeven moment kruisten wij een dame in minirok, met achterop haar fiets een kind in een voor peuters en kleuters bestemd zitje.

Doordat mijn aandacht geheel op het vrolijk kijkende kleintje was gericht, dat ik al even monter mijn mooiste glimlach schonk, was 'iets' me totaal ontgaan, Maar niet aan zoon Brian. De olijkerd zei lachend: 'Hihi papa, ik heb die mevrouw haar slipje gezien!" Dat kwam er zo spontaan en grappig uit, dat ik een lachje niet kon onderdrukken. Maar ik drukte de jongen en zijn broer toch op het hart om, indien zulks nog eens voorviel, uit beleefdheid terstond discreet de andere kant uit te kijken.

De jongens zegden dat te begrijpen en beloofden mij deze regel te zullen volgen. Niet wetend dat zelfs hun pa deze nu en dan al eens durft te vergeten.

27-07-09

Ontmoeting met een oud-bekende

 

Een jaar na mijn geheel ongepland en ononderbroken anderhalf jaar verblijf in het ziekenhuis, was ik thuis eindelijk in die mate georganiseerd dat ik mijn toen zesjarige tweeling elke ochtend naar school kon brengen.

Doorgaans zat er dan één van hen op mijn schoot, terwijl de andere op mijn voeten zat, op één van mijn armsteunen of zich liet vervoeren door achteraan op het chassis van mijn zware elektrische rolstoel te gaan staan. En soms stapten mijn jongens gewoon allebei naast me mee. Met één handje de leuning van die voor mij zo onontbeerlijke machine vasthoudend. Mensen, wat genoot ik ervan deze taak te kunnen uitvoeren. Je kinderen naar school begeleiden zie ik trouwens niet zozeer als een plicht, maar eerder en vooral als een voorrecht!

De weg naar huis legde ik af tegen het verkeer in. De 3-vaks rijweg oversteken ter hoogte van onze woning was immers onverantwoord wegens levensgevaarlijk door het snelle, vaak roekeloze auto-, motor- en vrachtverkeer.

Biking woman - 000 (klein)Tijdens die eerste terugrit botste ik bijna tegen een fietsende dame. Die wel in de juiste richting reed! Ze zat voorovergebogen op haar, vooraan het stuur van een mandje voorziene, conventionele damesfiets. En duwde met haar voeten naarstig op de trappers. Waarschijnlijk was die gehaast om tijdig op haar werk te verschijnen.

Was het daardoor dat ze geen teken van herkenning uitte? Volgens mij was dit immers de moeder van een schoolvriend uit mijn kinderjaren. Zelf knikte ik haar vriendelijk toe, maar van de dame haar gezicht, half verscholen achter een lange, enigszins krullende en vrij warrige haardos, was geen enkele expressie af te lezen.

Wat een verschil met vroeger! Want naar ik mij herinnerde was dat een heel praatgrage dame. Die steeds met luide stem elkeen die ze kende, van verre toeriep en als ze, tussen haar steeds weer gehaast met de fiets van hot naar her  rijden voor werk, boodschappen, familiebezoek of wat dan ook, zelfs maar even de tijd had, dan liet ze deze gelegenheid nooit onbenut om een praatje te slaan.

Maar mogelijks was er daar met het ouder worden enige verandering in gekomen. Niet erg waarschijnlijk en vanzelfsprekend, maar klaarblijkelijk toch wel het geval. Tijden veranderen en zo soms ook mensen. En aangezien mijn voorlaatste ontmoeting met mijn jeugdvriend zijn moeder reeds van misschien wel 20 jaar eerder dateerde, kon er in die tijdspanne veel gebeurd zijn dat had geleid tot een plotse, of geleidelijke gedragswijziging. En ook lichamelijke wijziging. Want ze leek me kleiner dan in mijn herinneringen. Maar dat kon zijn omdat ik toen zelf een klein mannetje was, en dan lijkt elke volwassene een reus. Of anders kwam dat misschien omdat ze inmiddels van ouderdom was gekrompen, of allicht een combinatie van deze factoren, aangevuld met een niet geheel juiste memorie.

Vanaf die dag zag ik de vrouw vrij vaak. Meestal 's ochtends omstreeks half negen, maar soms ook op andere tijdstippen. En telkens weer zei ik haar vriendelijk gedag, of lachte haar op zijn minst beleefd toe of knikte met mijn hoofd. Altijd leek ze gehaast. En me aanspreken deed ze nimmer. Maar na enkele passages, waarbij we elkaar kruisten, vertoonde ze uiteindelijk toch tekens van herkenning en begon ze mijn begroeting te beantwoorden. Non-verbaal evenwel.

Raar is het feit dat ik deze vrouw nooit elders tegenkwam en zich nimmer anders voortbewegend zag dan op haar blijkbaar onafscheidelijke fiets. Dus wat er in al die jaren nooit gebeurde was bijvoorbeeld haar aantreffen terwijl ze te voet door de straten slenterde op de wekelijkse openbare marktdag. Of met een winkelkarretje struinend door de gangen van één van onze lokale supermarkten of een andere winkel, waar ik mezelf met mijn vehikel kon in voortbewegen;

Maar zo verwonderlijk was dat dan ook weer niet. Want de dame was steeds nogal sociaal geëngageerd geweest in het dorp waar ik mijn jeugd doorbracht. Een deelgemeente van de stad waar ik woon en leef, sinds ik 'groot' ben. Mogelijks deed zij al haar inkopen lokaal en kwam ze slechts naar 'de grote stad' om haar werk uit te oefenen. Kuisen bij particulieren of op scholen, zo meende ik mij te herinneren.

Enkele jaren na die hiervoor beschreven hernieuwde ontmoeting reed ik, op een zonnige lentedag, aan een gezapig tempo, over het marktplein van mijn woonplaats, toen ik iemand mijn voornaam hoorde roepen. Een uiterst herkenbare zware vrouwenstem. Ik draaide mij met mijn rolstoel in de richting van waar het geluid afkomstig was. En daar stond ze dan!  Mijn jeugdvriend zijn ma! Maar niet in de gedaante van de persoon van wie ik reeds sinds jaren aannam dat zij het was. Het plaatje klopte nochtans redelijk. Een warrige haardos en de fiets aan de hand! Maar ze was niet gekrompen. En haar fiets was weliswaar ook een oud model, maar zonder mandje aan het stuur. Het vehikel was evenwel uitgerust met twee flinke fietstassen. Eén aan elke zijde van het fietsstoeltje, zoals het hoort.

Mijn oud-maat zijn ma was nog even joviaal als in mijn verste herinneringen. Ze vroeg me hoe ik het stelde. In dat sappige, gekke dialect van haar. Niet de streektaal van de gemeente waar ze toen reeds sinds tientallen jaren woonde, maar in deze van de plaats van waarvan ze oorspronkelijk vandaan komt en haar jeugd doorbracht.

In antwoord op mijn vraag, bracht ze me op de hoogte van de toenmalige conditie van haar zoon en daarna wisselden we nog wat woorden uit. Maar veel tijd om te babbelen had ze niet, want ze had net gedaan met haar dagelijkse werk als kuisvrouw in een middelbare school in de buurt en moest er snel vandoor om nog vlug wat boodschappen te doen en toch tijdig thuis te zijn en klaar met het bereiden van het avondeten, tegen het moment dat haar man zou thuiskomen van zijn werk.

Bij het wat later naar huis rijden moest het toch wel lukken dat, toen ik bijna de oprit van mijn woning had bereikt, vanuit de tegenovergestelde richting die dame kwam aangespurt, waarvan ik tot dan toe abusievelijk had aangenomen dat het de mama was van mijn vroegere school- en speelkameraad.

Tegen het moment dat ik had beslist of ik die dame nu zou blijven groeten als was het een oud-bekende, wat ze, zoals een goed uur daarvoor was bewezen, duidelijk niet was, of haar vanaf nu straal zou negeren, was het vrouwmens me al lang gepasseerd. Ze had me bij het voorbijrijden slechts een zuinige glimlach toegeworpen en vroeg zich nu waarschijnlijk af waarom ik haar voor het eerst in al die jaren geen gedag zei.

Tot op de dag van vandaag rijdt de fietsende dame nog regelmatig voorbij mijn huis. Wie ze is, waar ze woont en naar welke bestemming ze zich dan telkens weer zo haastig spoedt, daar heb ik het raden naar. En het interesseert mij ook helemaal niet. Maar na die ene dag, waarop de verwarring mij even in haar greep hield, ben ik deze onbekende fietsster, op momenten dat ze mijn pad kruist, iets minder uitbundig, maar toch gewoonweg beleefd, gedag blijven knikken.